Haaksbergerveen en de vogels en andere dieren  die veel voorkomen in het gebied
Terug naar
Het Haaksbergerveen is een afgetakeld hoogveengebied dat nu nog ca 500 ha groot is. Het wordt beheerd door Staatsbosbeheer. Doel van het beheer is het herstel van het hoogveen.

Ligging
Het Haaksbergerveen ligt ten zuid-oosten van de dorpskern Haaksbergen. Aan de Duitse zijde ligt aansluitend het 70 ha grote natuurgebied het Ammeloër Venn. In het Haaksbergerveen is er een hoogteverschil, nl de meest oostelijke punt (Wennewickweg) ligt op 35 m NAP en op het meest westelijke bij de Parkeerplaats Niekerkerweg is dat 31 m NAP.
Omdat water en de beheersing van het waterpeil bij het herstel van het hoogveen het belangrijkste is, bepaalt de geologie de indeling van het gebied. Dwars door het gebied ligt een zandrug van oost naar west die het Dievelaarslaantje of Dievelaarspad wordt genoemd. Daardoor stroomt het water aan de ene kant van het Dievelaarspad van zuid naar noord (dwz vanaf het Dievelaarspad naar de Buurserveenweg) en komt via allerlei verbindingen uiteindelijk in de Buurserbeek terecht. Aan de andere kant van het Dievelaarspad gaat het water richting de grens met Duitsland en via de koffiegoot naar de Berkel.
(NB In het dorp Haaksbergen komt de naam Dievelaarslaantje nog een keer voor. Het is naam van het fietspad in het Park Groot Scholtenhagen waaraan ook het IVN gebouw ligt. De oorzaak is dat de schuur van de ondernemer Dievelaar (turfopslag ten behoeve van de steen- en pannendak fabriek) in 1951 van het veen naar het Park Groot Scholtenhagen is verplaatst.)

Het ontstaan van een landschap wordt bepaald door een combinatie van een tweetal factoren.

Klimaat
In de eerste plaats gaat het om klimatologische factoren. Het netto-verschil tussen neerslag en verdamping is positief (in geheel Nederland gemiddeld over een aantal jaren 760 neerslag tegen 620 verdamping). Dit is kennelijk op deze geografische breedte gunstig, want er is tussen de 50 en 70 graden noorderbreedte een relatief grote gordel aan hoogveengebieden.

De bodem
Vele miljoenen jaren geleden zijn er in het gebied van het Haaksbergerveen kleiafzettingen gevormd. Op grond van steenonderzoek wordt aangenomen dat in die tijd gletschers uit Scandinavië het Haaksbergerveen bedekten. De kleiafzettingen in het Haaksbergerveen liggen relatief dicht onder het maaiveld nl 4 tot 7 m. Deze kleiafzetting wordt ook wel een keileemlaag genoemd, hoewel de samenstelling van deze keileem anders is dan de keileem die in bijv Drenthe wordt gevonden. De keileemlaag is zeer slecht waterdoorlatend en vormt daardoor de basis van de waterhuishouding in het Haaksbergerveen. Verondersteld wordt dat deze oude klei als een schotel onder het veen ligt, waarna die schotel later door windafzetting met een laag fijn dekzand is overdekt. In de zandlaag van het Haaksbergerveen komt er bovendien her en der verspreidt nog een concentratie keileem voor. Keileem is o.a. herkenbaar door de aanwezigheid van graniet en zwerfstenen. Keileem bevat meer voedingsstoffen dan zand.

Tot 10.000 jaar v Chr was er door het barre klimaat in onze streken nauwelijks te wonen: de grond was permanent bevroren en alleen in de zomer werd de bovenste meter een soort modderlaag, het beste te vergelijken met een soort moeras. Geconcludeerd kan worden dat door toevallige meteorologische factoren en bodemfactoren er een gunstige uitgangspositie is ontstaan voor de vorming van hoogveen. Op grond van sporenonderzoek wordt aangenomen dat de gletschermorenen zaden en sporen van verschillende planten hebben meegenomen o.a. het veenmos = Sphagnum.

Toen tussen de 10.000-6000 jaar voor onze jaartelling de temperatuur ging stijgen, ontstonden er dichte bossen Uit het pollenonderzoek is komen vast te staan dat er eerst dennen en later berken waren. Pas later kwamen de meer warmteminnende soorten als de Hazelaar, de Eiken, Iepen, Linden, Essen en de Els,

Plantenselectie
Voor de groei van planten is stikstof en organisch gebonden fosfor / fosfaat een absolute noodzaak (vorming van eiwitten). Als er geen toevoer meer is van deze stoffen, wordt de plantengroei minder. Op dat moment krijgen de plantensoorten die op voedselarme grond goed gedijen de overhand. Er is sprake van een biologische selectie die sinds Darwin de "survival of the fittest" wordt genoemd. Omdat het Haaksbergerveen hoog ligt (34 m N.A.P) en alleen met regenwater wordt gevuld (er is geen kwel) worden de omstandigheden steeds voedselarmer. Zo blijft uiteindelijk alleen de plant over die van "bijna niets"kan leven nog over. Dat is het veenmos. (Sphagnum)

Het veenmos en de vorming van hoogveen
Voor de vorming van hoogveen is het veenmos een absolute voorwaarde. Om de vorming van hoogveen te kunnen en begrijpen is het noodzakelijk iets te weten van het veenmos. Veenmos heeft verder een tweetal eigenschappen die het plantje uniek maakt:

De plant kan 10 tot 40 x zijn eigen gewicht aan water vasthouden; dit geldt niet alleen voor de levende cellen: ook de afgestorven cellen behouden hun structuur en zijn in staat water vast te houden.
Veenmos maakt zijn eigen milieu: het is in staat het milieu te verzuren tot een pH 3,5 ( azijnzuur heeft een pH van ongeveer 4) Deze eigenschap stelt het veenmos in staat de concurrentie met andere planten te winnen. Bij deze zuurgraad ontstaat bovendien een sterk conserverende werking op organisch plantenmateriaal.

Van het geslacht VEENMOS (Sphagnum) zijn vele ondersoorten. In het Haaksbergerveen zouden er 16 voorkomen. Die verschillende ondersoorten zijn alleen microscopisch te onderscheiden. Een indicatie is om te kijken waar het veenmos groeit. Er zijn soorten die in matig voedselarm water kunnen leven, zoals het Zwevend veenmos (= Sphagnum cuspidatum). Andere ondersoorten voelen zich juist in extreem voedselarm water het beste thuis. Zo komt alleen in zeer voedselarm water komt het echte Hoogveenmos (Sp magellanicurn) voor. In voedselrijk water gaat veenmos dood.
Veenmos heeft geen wortelstelsel. Het voedsel moet via stengels en bladeren worden opgenomen. Het veenmos is daarbij geheel of nagenoeg geheel aangewezen op wat de omgeving te bieden heeft. Aangenomen mag worden dat in het hemelwater vroeger bijna geen voedsel aanweizig was.

Hoogveen versus laagveen
Hoogveen ontstaat alleen als er zeer voedselarme omstandigheden zijn. Het enige beschikbare water is het regenwater. Soms wordt hoogveen daarom ook wel regenwaterveen genoemd. Laagveen ontstaat uit grondwater: dit is ook voedselarm, maar altijd rijker dan regenwater.

De hoogveenvorming
Aangenomen wordt dat de hoogveenvorming als volgt gegaan is. In het gebied waar hoogveen zich gevormd heeft, hebben zich waterplassen bevonden. In die waterplassen groeit het veenmos en ontstaat er een proces van verlanding. De planten sterven jaar in jaar uit af en de laagte wordt langzamerhand gevuld met dood organisch materiaal. Er treedt een verarming op van het milieu omdat de voedingsstoffen in het organisch materiaal mee naar de bodem zakken. In die situatie krijgen de planten die in een voedselarm milieu kunnen leven de beste kansen en zoals gezegd voelt het veenmos zich daar bij uitstek thuis.
Het veenmosdek wordt dikker en dikker omdat het veenmos bij goede temperatuur en voldoende water wel 50 cm per jaar kan groeien. Het afgestorven veenmos blijft aan de onderkant zitten. Omdat ook het afgestorven veenmos in staat is water vast te houden sluit het de omgeving van de buitenlucht af
Door de afsluiting van zuurstof in combinatie met de lage zuurgraad stopt het rottingsproces van het afgestorven plantenmateriaal. Ondanks de geweldige groei per jaar is de toename aan veen slecht 0,5 tot 1 mm per jaar doordat inklinking optreedt. Dat wil zeggen voor een meter hoogveen heb je een eeuw nodig

Door het enorme wateropnemende vermogen van het sphagnum kan het veenmosdek boven zijn omgeving uitgroeien en ontstaan er hoogten (buiten) en laagten (slenken). Op die bulten en slenken ontstaat vervolgens weer een eigen vegetatie van planten die zich het beste thuis voelen op wat drogere (bulten) of juiste natte omstandigheden (slenken). In tijden van droogte krimpt het veenmosdek in en als er weer voldoende water is zet het weer uit. De variatie in de waterspiegel is echter gering.
Toen het klimaat langzamerhand droger werd stopte de veenvorming. Over het herstel van de hoogveenvorming zoals die nu plaats heeft wordt bij het onderdeel Haaksbergerveen ingegaan.

De geschiedenis van het Haaksbergerveen
Omstreeks 1300 zijn in Haaksbergen marktgenootschappen, ook wel marken genoemd, ontstaan. Deze marken kwamen voort uit buurtschappen. De marken waren nodig om regels te stellen aan het gebruik en beheer van de grond. Door het toenemend aantal mensen en de geringe hoeveelheid cultuurgrond waren er regelmatig conflicten. De rechten en plichten zijn eerst mondeling overgeleverd, maar omstreeks 1400 ook vastgelegd in zogenoemde markeboeken. Zo zou er een ongeschreven markewet zijn geweest die aangeeft dat iemand die op de woeste grond in een avond en een nacht een hut wist te bouwen waarbij er 's ochtends rook uit de schoorsteen kwam niet meer van huis en hof verdreven kon worden.
In de marken werden afspraken gemaakt ten aanzien van het bestuur (kiezen van gezworenen), de landbouw (plaggen, maaien, turfsteken), de veeteelt en taken van maatschappelijke aard zoals begraven van dood vee, onderhoud van wegen en watergangen.
Omstreeks 1830 behoort het huidige veengebied tot de marken Buurse, Haaksbergen en Hones. Het veengebied vormt in die tijd een natuurlijke grens met Duitsland. De Historie van Haaksbergen verhaalt over de ruzies tussen de marken Haaksbergen, Hones en Rekken over de verdeling van het o.a. het veen.
Bij de huidige Niekerkerweg ligt een gebied dat nu nog de naam Twistveld draagt. Een van de zeer belangrijke punten bij de ruzie was o.a dat het Honesser veen maar 1 tot 1,5 m dik was en het Haaksbergerveen wel 1,5 tot 6 m dik. Ook de huidige straatnamen herinneren nog aan die periode zoals de Krakeelsweg en de Hellenveldweg.
De naam Onlandseweg geeft aan hoe de bevolking tegen het veen aankeek; het was geen land: onland. De naam Hanebulterweg duidt op de aanwezigheid van de korhoen in die omgeving.

In begin van de negentiende eeuw zijn de marken opgeheven, maar in Twente duurde het tot na 1880 voordat alle markegronden verdeeld en geveild waren.
In 1840 is het veen verdeeld en in 309 percelen geveild. In de periode 1840 -1860 is er in het veen ten behoeve van de textielindustrie en de steenbakkerijen rond de Appelhofweg veel turf gestoken. Daarna is nog wel voor individueel gebruik turf gestoken (boerenvervening). Ook in de tweede wereldoorlog is er voor eigen gebruik nog turf gestoken.

Rond 1938 heeft de Staat der Nederlanden een onteigeningsprocedure in gang gezet om het veen door werklozen te laten ontginnen. Daarbij was de eigenaren beloofd dat zij het land na de ontginning tegen een redelijke prijs konden terugkopen.
Kort na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog is het veen door de regering vrijwel zonder vergoeding onteigend om een werkobject te hebben voor de vele werklozen die toen verwacht werden. Door de oorlog is de ontginning echter niet doorgegaan. Wettelijk kan onteigend land echter niet worden teruggegeven. Dat heeft toen veel kwaad bloed gezet en zou een van de (vele) redenen zijn dat er tussen Staatsbosbeheer en de boeren moeilijk beheersafspraken gemaakt konden worden.

Tussen 1952 en 1956 is door de Overijsselse Ontginningsmaatschappij nog 300 ha ontgonnen en als landbouwgrond verkocht. De resterende 500 ha is dus het huidige natuurreservaat het Haaksbergerveen.

Turf steken en turf
De ontginning van het veen of wel de winning van turf verschilt van plaats tot plaats en is afhankelijk van de omstandigheden. Droge en natte vervening verschilt zoveel van elkaar dat er zelfs twee termen voor zijn: droge vervening heet afvenen en natte vervening wordt uitvenen genoemd. Ook de producten zijn anders: hoogveen levert lange bruine turf in de laaggelegen veengebieden is gebaggerd en de bagger soms met voetkracht (klunen) gedroogd, wat het korte zwarte turf oplevert.

Bij de ontginning van het hoogveen gaat men als volgt te werk:
Door het graven van sloten wordt een stuk het hoogveen eerst oppervlakkig ontwaterd. Daarna wordt de bovenste aarde, de bonkaarde verwijderd en opgeslagen. Deze bonkaarde wordt later door de onderliggende zandgrond gemengd, waardoor een betere structuur ontstaat en de grond geschikt wordt (na bemesting) voor akkerbouw met name aardappelteelt.
Onder de bovenste laag ligt het grauwveen ook wel witveen genoemd. Hieruit wordt het zogenoemde bolsterturf gemaakt dat alleen geschikt is als aanmaakturf of turfstrooisel.
Vervolgens bereikt men het zwartveen, het echte veenmosveen, dat de zwarte turf of steekturf levert. Dit is als brandstof geschikt.

Het turfsteken werd gedaan door 2 personen: een steker en een afschuiver. De steker (met een speciale scherpe kleine schop) stak meestal 3 turven tegelijk en wierp ze in de kruiwagen. Als de kruiwagen bij 24 turven vol was bracht de afschuiver ze naar de plaats waar de turven moesten drogen. Die plaats was meestal een vlak stuk hoog gelegen veen. Het werd van opslag ontdaan. De eerste rij turven werd vlak neergelegd. De volgende rij turven kwam er op hun kant naast te staan. Het was een hele kunst want de turf mocht niet breken en de turf mocht ook niet met de hand worden aangeraakt. Een goede steker kon wel 6000 turven per dag steken tegen een prijs van 2-3 cent per turf.

Na twee tot drie weken werden de turven zo danig opgestapeld dat de wind er van alle, kanten doorheen kon blazen. Deze "stoeken" bestonden uit 6-8 turven. Na het drogen werden de turven op ronde stapels gezet, klaar voor vervoer.
Als de vaste turf was weggestoken bleef er een drabbige massa over, kluun mot genoemd. Deze massa werd uit de kluungaten geschept en over een zo vlak mogelijk oppervlakte uitgespreid. Na het uitwateren en drogen werd deze kluun in broodjes gesneden en verder als turf verwerkt. Bij het "'klunen" kwam de steker vaak in aanraking met boomstronken, stobben. Een deel van het veen waar de veenlaag niet zo dik was dankt daaraan zijn naam: Stobbenveen.

Op sommige plaatsen in het Haaksbergerveen treedt varengroei op. Dit wordt verklaard door de opslag van het turf op die plaatsen. Turfresten (= plantenmateriaal = voedsel) zou lokaal voedselverrijking gegeven hebben waardoor de varens op deze voedselrijkere grond een kans kregen.

Verwaarlozing en herstel.
Door het einde van de vervening, werd de berkenopslag niet meer verwijderd. Een enorme brand in 1959 die wekenlang heeft aangehouden, veroorzaakte een voedselverrijking van de bodem Dit heeft de berkengroei sterk bevorderd.
Van af 1969 zijn er in het veen herstelwerkzaamheden uitgevoerd die erop gericht zijn het veenmos weer te laten groeien. De omstandigheden daarvoor zijn gunstig omdat er in de oude turfgaten nog steeds veenmos aanwezig is. Om de veengroei te bevorderen moet het gebied zo vochtig mogelijk gehouden worden.

Het sawa systeem met dammen
Het terrein ligt in het oosten (Wennewickweg) bijna 4 m hoger dan in het westen (Niekerkerweg). Dat betekent dat onder normale omstandigheden het water van hoog naar laag wegstroomt. Bij de waterbeheersing is gekozen voor het sawa systeem Daarbij wordt achter elkaar een reeks van dammen aangelegd. Berekend is dat een drie meter brede zanddam een hoogteverschil van ongeveer 40 cm in stand kan houden. Bij een te hoge waterstand in een damgebied wordt met behulp van overlooppijpen het water op een lager gelogen damgebied geloosd. De afwatering van zuid naar noord komt deels in de Zoddebeek / Buurserbeek en deels in de Berkel terecht.
De dammen zijn in 1974 aangelegd en in 1992 door het succes van de hoogveenregeneratie verhoogd.

Tegengaan verdroging
Het gebied wordt uitsluitend gevoed door regenwater. Het is voor een constante waterspiegel dus ook belangrijk om verdamping zoveel mogelijk tegen te gaan. Daarom wordt de berkenopslag waar mogelijk verwijderd. In de zomer verdampt een boom 2-3 maal zo 'water als het pijpestrootje.
Een probleem bij het verwijderen van berken is dat een gekapte berk weer opnieuw uitloopt. Dit kan voorkomen worden met een groeiremmend middel. Het is echter natuurlijker om gedurende 2-3 jaar een schaapskudde in het voor- en najaar over zo'n terrein te laten lopen. Schapen eten de jonge uitlopers op en na 2-3 jaar is de berk definitief dood.

De hoogveenregeneratie in het Haaksbergerveen
In het afgetakelde hoogveen dat het Haaksbergerveen nu is vindt de veenvorming plaats vanuit de diverse regenputten. De veenvorming op dit moment gaat ongeveer als volgt in zijn werk, Op de bodem van de veenput groeit eerst veenpluis. Daartussen vestigt zich een veenmossoort die zich onder die omstandigheden redelijk thuisvoelt, Door de verhoging van de waterstand breidt de veendeken zich horizontaal uit. Later ontstaat ook een verdieping, waarbij weer andere soorten veenmos betrokken zijn.

De dikker wordende deken zakt door zijn gewicht naar beneden waarbij de oppervlakte van de deken ongeveer hetzelfde blijft. Dit is het ontstaan van de zogenoemde veenmosdrijftillen.
Na enige tijd verschijnen er op die drijftillen niet alleen andere soorten veenmos, maar ook Veembes, Lavendelheide en Zonnedauw. Als de drijftillen zo diep zijn dat ze de, bodem beginnen te raken komt ook het Pijpenstrootje naar voren en kan een dopheide-achtige begroeiing ontstaan. Ook het gewone Haarmos breidt zich dan uit in de vorm van hoge groene kussens.

Nat bos
Een afwijkende vorm van veenontwikkeling doet zich voor op plaatsen waar een met berk begroeid geraakt terrein onder water wordt gezet. Meestal gaat het om nat berkenbos, met veenmos in de moslaag welke tussen de wortels van de bomen wordt vastgehouden. Na het onder water zetten sterven de bomen en komen de veenmospakketten boven water drijven. Van daaruit ontstaat een ontwikkeling zoals die al beschreven is.

Drijftillen
Het zal duidelijk zijn dat op de drijftillen niet te lopen is hoewel dat afhankelijk is van de dikte. Gezien de vele soorten veenmos die bij de veenvorming betrokken zijn, wordt wel eens gezegd dat een goede veenmoskenner moet kunnen zien of hij al over de veenmosdeken kan wandelen en zo ja, vooral hoe snel hij dat moet doen.

Snelheid veenvorming
Aan de onderkant sterft het veenmos af en ook de andere plantendelen zakken naar de bodem De vertering stopt omdat door het water de plantendelen van de lucht zijn afgesloten. Op die manier ontstaat veen. Dat gaat overigens niet snel door inklinking groeit het veen ongeveer 0,5 tot 1 mm per jaar dat wil zeggen 1 m turf betekent een volle 1000 jaar.
Veenpluis
Het meest opvallend is de bloei van april tot mei de lange witte wolkuif.

Eenarig Wollegras
Deze plant groeit met rechtopstaande bloei stengels met aan de top van elkes stengel één bloeiaartje met zilverachtig vruchtpluis. Bloei van maart tot mei,

De Zonnedauw
Zonnedauw is een "vleesetend" plantje dat in voedselarme omstandigheden kan overleven door insecten te vangen en te verteren. Zonnedauw heeft talloze kleine tentakeltjes. Het produceert een glinsterend kleverig vocht dat insecten aantrekt en vasthoudt. Als er een mug gelijmd wordt gaat deze spartelen en hoe harder de mug spartelt hoe vaster hij komt te zitten. In het vocht zit wat mierenzuur waardoor er wat eiwitten van de prooi worden opgelost. Door het vrijkomen van deze eiwitten komen er in de plant verteringsappen vrij die de eiwitten van het insect verteren. Bij de mens werkt het net zo: er is altijd wat maagzuur, maar pas bij het eten komt er meer maagzuur vrij. Van het insect blijft alleen nog het onverteerbare pantser over. Er zijn twee soorten zonnedauw: de ronde en de kleine.

Lavendelheide
Een altijd groene heester. Kleine bleekroze bloemen, lampionachtig van vorm die tijdens de bloei verkleuren van roze naar witachtig. Komt in het Haaksbergerveen voor op enkele plaatsen, maar is verder zeldzaam. Bloei in het voorjaar.

Klokjesgentiaan
Bloeitijd augustus. Dit blauwe klokje komt alleen voor in vochtige lemige of venige grond.
Vogels
De vogels in het veen kunnen op verschillende manier ingedeeld worden. Er is een onderscheid te maken in:

Vogels die broeden in het veen. Dit zijn o. a de fitis, de tjif-tjaf, de geelgors, de wulp, de fázant, de grauwe klauwier, de gras- en boompieper. Er broeden ook soorten die op de lijst staan van de bedreigde soorten in Nederland (de zgn rode lijst), zoals de roodborsttapuit en de blauwborst.
Vogels die foerageren in het veen. Dit zijn o. a de ekster, de vink de boeren-, de huis- en de gierzwaluw, de koekoek, de grutto, de buizerd, diverse valkensoorten en de kiekendief Ook trekvogels foerageren in het veen zoals de kraanvogel en de grauwe gans.
Spreeuwen op trek verduisteren in de herfst somtijds de hemel.
Wintergasten zijn: de Klapekster (een klauwierensoort) en de Blauwe Kiekendief die er meestal alleen slaapt.

Libellen
De orde der libellen kent twee onder orden te weten de juffertjes: slank met een fladderende vlucht en de glazenmakers of wel de echte libellen: forser met behendige vlucht. Er komen in het Haaksbergerveen elf soorten juffertjes voor en 12 soorten glazenmakers. Het Haaksbergerveen is van grote betekenis als biotoop voor de libellensoorten die kieskeurig zijn op een voedselarm milieu.
Libellen zijn belangrijke consumenten van de muggen(larven), maar zijn zelf een voedselbron voo de boomvalk. Waar de libellenstand hoog is is de aanwezigheid van de boomvalk in het Haaksbergerveen verklaard.

Amfibieën
Van de amfibieën zijn het vooral de kikkers die in het Haaksbergerveen voorkomen.
Amfibieën kunnen zowel in het water als op het land leven, maar kenmerkend is dat ze in het water geboren worden en voor de voortplanting ook naar het water terugkeren. Amfibieën kunnen in verschillende leefomgevingen voorkomen (biotopen). Voor de kikker is het een belangrijke eis dat het water schoon is. Zo is de hei- en boomkikker die vroeger algemeen in Twente aanwezig was, zeldzaam geworden. De terugkomst van de boomkikker geldt als indicator voor de stand van het milieu.
Bij de voortplanting van de kikker zitten de eitjes beschermd in een geleiachtige massa, het dril. Als de temperatuur van het water voldoende hoog ontwikkelen de eitjes zich snel; na enkel e dagen kunnen de larven al ademen en weer enkele dagen later gaan ze op zoek naar kleine waterplanten om zich te voeden.

De soorten kikkers die in het Haaksbergerveen voorkomen zijn de groene kikker, de bruine kikker en de heikikker. De bruine kikker plant zich reeds voort in maart. Het geluid lijkt op een motorcross in de verte. De heikikker plant zich voort in de tweede of derde week van maart. Het mannetje wordt dan gedurende enkele dagen hemelsblauw. De heikikker is zeer selectief in zijn biotoop en heeft een voorleur voor een zurig, veenachtige grond. Het is een sterkbedreigde soort. Het geluid lijkt op bellenblazen.
De groene kikker plant zich voort in mei. De groene kikker wordt ook wel de boerennachtegaal genoemd door de enorme hoeveelheid geluid die hij met zijn twee kaakblazen weet te produceren. Kikkers voeden zich met insecten en andere kleine dieren.
Toch zullen kikkers als het goed gaat met de veenontwikkeling op den duur verdwijnen. Nu komen kikkers alleen voor in het westelijk deel van het veen, daar waar er nog voedselrijkdom is. In het echte hoogveen is het water zo zuur en zo voedselarm dat de kikkerlarven er niet in kunnen overleven.

Reptielen
Reptielen kunnen volledig buiten het water leven. In het Haaksbergerveen komen hagedissen en adders voor. Reptielen stellen hoge eisen aan hun biotoop, die insectenrijk en gevarieerd in hoogte en dichtheid moet zijn. De behoefte aan warmte van reptielen is groter dan die van
amfibiën, vandaar dat er ook droge zonnige plekken moet voorkomen.

Hagedissen
Er zijn vermoedelijk meerdere soorten hagedissen in het Haaksbergerveen. De enige soort die massaal voorkomt is de ei-levendbarende hagedis. Dit betekent dat de bevruchte eicel in het moederdier wordt bewaard en daarin uitkomt. Op het moment van het verlaten van het moederlichaam is er dus een hagedis. Dat is voor de voortplanting gunstig omdat het moederdier dan de meest gunstige omstandigheden kan uitzoeken.

De adder
Uiterlijk en zintuigen: Het wijfje is gemiddeld 80 cm. Lang. Het mannetje is wat kleiner nl. 60 cm. De huid is niet glad maar juist droog en voelt koud aan. De adder heeft schubben, op zijn rug kleine en aan zijn onderzijde brede. Op zijn rug zit een zigzag streep met verschillende kleuren, bruin, zwart, grijs of groen. De onderkant van zijn lichaam is bruin, zwart, of grijs, en het einde van de staart is geel of rood. De adder is doof. Zijn tong is heel gevoelig en is dan ook heel lang en gespleten. Met de tong ruikt, proeft en onderzoekt de adder. Zodoende steekt hij de tong ook voortdurend naar buiten. De adder heeft geen echte oogleden; daarom kunnen zijn ogen niet dicht. Over zijn ogen zitten doorzichtige schubben, dit is ter bescherming van de ogen

Leefomgeving: De adder is beschermd. De meeste adders leven in Drenthe en Limburg. De adder houdt van heidevelden met daarbij vochtige stukken land. Soms komt hij ook voor in bossen en dan wel verstopt onder bramenstruiken of brandnetels. Adders zoeken altijd wel de zonnige plekken op. De meeste kans om er een keer een te zien is 's morgens vroeg, maar ze zijn erg schuw

Voedsel: De adder eet als hoofdvoedsel veldmuizen, maar ook wel jonge mollen, spitsmuizen, jonge vogeltjes en soms ook wel egels, kikkers en hagedissen. Een prooi wordt gedood door het gif. Het gif zit in een blaasje in de bek en gaat door de tanden in de prooi. De tanden van de adder zijn langer dan die van andere slangen, en hij heeft ook nog 1 of 2 paar reservetanden. Deze zitten achter de andere tanden. Doordat de prooi soms dikker is dan de slang zelf moet de bek heel ver open kunnen, waarbij de tanden dan naar achteren klappen en de prooi in een keer wordt doorgeslikt. De adder heeft geen kiezen, dus er wordt niet gekauwd. De sterke maagsappen verteren alles, zelfs botjes.

De huid: Omdat het vel van de adder niet meegroeit, krijgt hij geregeld een nieuw vel. Dit nieuwe vel zit dan al onder het oude. De adder zoekt een ruwe boomstronk of steen, gaat daar met zijn kop overheen totdat het oude vel vanzelf loslaat. Zo kan hij er weer enkele weken tegen

Voortplanting: De paartijd van de adder is in april. De adder is ei-levendbarend, d.w.z. dat de eieren al in de buik van de moeder uitkomen. Dit is noodzakelijk omdat het in Nederland te koud is om de eieren door de zon uit te laten broeden. In augustus/september worden de jongen geboren, meestal zijn dat er 5 of 6. Ze zijn bij de geboorte zo'n 15 cm lang. Ze leven in het begin vooral van insecten zoals mieren. Gezien de voor adders tamelijk geïsoleerde ligging van het Haaksbergerveen is lange tijd is gedacht dat er mogelijk gevaar zou zijn voor inteelt. Onderzoek in 1999 heeft uitgewezen dat de gezondheidstoestand van de Haaksbergerveense adder juist zeer goed is in vergelijking met, andere gebieden.

Winterslaap: Adders gaan in oktober in winterslaap als de temperatuur beneden de 15 graden zakt. Ze kruipen dan in een hol of onder een houtstapel, of onder de grond. Soms gaan ze met andere adders samen en soms ook alleen. Ze zijn honkvast. Ze kunnen goed tegen de winter. Bij het ontwaken is de adder vermagerd, maar niet echt verzwakt.

Vijanden: De adders staat als roofdier aan de top van de voedselketen. Toch is liggen zonnen niet geheel van gevaar ontbloot: een buizerd is in staat met name een jonge adder in een keer te grijpen en te doden.

Bijzonderheden: Omdat de adder geen poten heeft beweegt hij zich voort door zich met de brede schubben af te zetten. Daarom ligt zijn lichaam ook meestal in bochten. Zijn staart ligt dan stevig tegen een bobbel op de grond gedrukt. Zet hij zich dan af dan schiet hij vooruit, dan drukt hij zijn brede schubben tegen een bobbel en haalt zo zijn achterlijf naar voren

Gevaar: Een adder valt alleen dieren aan, hij is bang voor mensen. Alleen als je hem oppakt of op hem trapt, zal hij ook een mens aanvallen. Een beet van een Nederlandse adder is niet altijd dodelijk volgens de gegevens 1 op 130 beten. Je moet wel naar de dokter om een tegengif te halen. Tegengif voor adderbeten wordt gemaakt door een beetje gif bij een paard in te spuiten. De hoeveelheid gif wordt geleidelijk verhoogd zodat het paard antistoffen gaat vormen Dan wordt er weer wat bloed van het paard afgenomen, en daaruit worden de antistoffen gehaald, en zo hebben wij tegengif. Probleem is wel dat het een dierlijk serum is, waardoor er overgevoeligheid voor dierlijke sera kan ontstaan.

Foto,s gemaakt door Jaap vd Heide op 6-5-2010
Bron tekst : http://www.natuurlijk.nl/twente/haaksbergen/natuur/haaksbergerveen.htm
Vogels Haaksbergerveen foto,s gemaakt op 10-05-2010
Jaap vd Heide
mannetje Roodborsttapuit
mannetje Roodborsttapuit
grauwe gans

De grote zilverreiger is van oorsprong een vogel uit het mediterrane gebied. Door het beschikbaar komen van geschikte leefgebieden heeft deze hagelwitte reiger zijn verspreiding inmiddels uitgebreid tot in Nederland. De Oostvaardersplassen vormen het belangrijkste bolwerk in Nederland. Dit gebied is de springplank vanwaar andere gebieden inmiddels gekoloniseerd worden.
Algemeen
Overige namenGreat Egret , Casmerodius albus OrdeCiconiiformesFamilieReigers (Ardeidae)StatusJaarvogel. Zeer schaarse broedvogel; doortrekker en wintervogel in klein aantalEuropese verspreidingDe grote zilverreiger komt op alle continenten - behalve Antarctica - voor. In Europa is de soort vooral talrijk in het Middellandse Zeegebied en de landen rond de Zwarte Zee. Het broedgebied wordt ruwweg begrensd door de 20 graden Celsius Juli-isotherm. Veruit de meeste grote zilverreigers broeden in Oekraïene, gevolgd door Hongarije, Oostenrijk en RoemeniëNaar boven
Leefomgeving en voedsel
BiotoopMoeras, oevers, plassen, rietland en ruigte, weilanden (uitgestrekt) Voedsel- en broedbiotoopRietmoerassen, oeverzones van meren en plassen, bossen langs rivieren (ooibossen) en aan kusten bij de mondingen van rivieren. Om te nestelen heeft de grote zilverreiger een flinke hoeveelheid overjarig riet nodig, maar geregeld worden ook wilgen gebruikt om het nest in te bouwen. VoedselAllerlei vis, amfibiën en ook kleine zoogdieren als woelmuizen en mollen. Driedoornige stekelbaar is een belangrijke prooisoort.Naar boven
Broeden
BroedperiodeApril - juniKoloniebroederJaAantal legsels1 legselAantal eieren3 - 4 eierenNaar boven
Herkenning
Opvallende kenmerkenOnmiskenbaar door formaat en kleur van poten en snavel.GedragFoerageert actiever dan de blauwe reiger op vis in poelen, sloten en andere ondiepere water, soms op muizen in grasland.KleedGeheel wit verenkleedFormaat/ lengteLengte 80-102 cm, spanwijdte 140-170 cm.SnavelDolkvormig, zwart (geel in winter)PotenGeelachtig van kleur, lange poten met lange tenen Naar boven
Vogeltrek
TrekrouteKlein aantal trekt naar Zuid en Oost-EuropaOverwinteringsgebiedZuid-en Oost Europa
Zilverreiger
Blauwborst
Kenmerken
De bovenzijde is bruin van kleur
De onderzijde is grijs en lichter dan de bovenzijde
De keel en de borst van het mannetje zijn in het zomerkleed helderblauw, met daaronder een zwarte en een bruine borstband
Het vrouwtje en het mannetje in het winterkleed hebben beide een witte keel
De basis van de staart is roestrood van kleur
 
  Omschrijving
Hoewel de poten van de blauwborst iets langer zijn, doen gedrag en bouw denken aan de roodborst, waaraan de vogel dan ook nauw verwant is. In het zomerkleed, waarin de vogel in Nederland altijd te zien is, voorkomt de kleur van de borst van het mannetje echter iedere verwarring. Deze is namelijk helder blauw met een oranjerode of witte vlek in het midden. In de winter lijken de mannetjes op de vrouwtjes, de blauwe borst heeft dan plaats gemaakt voor een witte keel.
Het voedsel van de blauwborst bestaat onder andere uit insecten en kleine vruchten. Het nest bevindt zich doorgaans dicht bij de grond en is goed verstopt. De zang van de blauwborst is gevarieerd en ook 's nachts vaak te horen.
In Nederland komen twee ondersoorten voor, de witsterblauwborst (Luscinia svecica cyanecula) en de roodsterblauwborst (Luscinia svecica svecica). De ondersoorten zijn te onderscheiden doordat het mannetje van de witsterblauwborst in het zomerkleed een witte vlek op de blauwe borst heeft, terwijl deze vlek bij de roodsterblauwborst rood is.

FOTO,S GEMAAKT OP 11-5-2011
JAAP VD HEIDE
NATUURFOTOGRAFIE
Reekalf foto van Egbert Venema  www.wandelenmetegbert.nl